Cursus Nederlandse paleografie, 16e t/m 18e eeuw
  1. Inleiding
  2. Ontwikkeling van het handschrift tot de achttiende eeuw
  3. Basisvormen van letters in zeventiende-eeuws handschrift
  4. Cijfers en getallen
  5. Afkortingen
  6. Hulpmiddelen

4. Cijfers en getallen

Pas in de loop van de zestiende eeuw wint het gebruik van Arabische cijfers aan populariteit in de Nederlanden. Daarvoor werd bijna uitsluitend met Romeinse cijfers gewerkt. De opmars van het Arabische getalsysteem verliep niettemin langzaam. Ook in zeventiende-eeuwse stukken worden dus nog veel getallen met Romeinse cijfers weergegeven.

Romeinse cijfers

Het Romeinse getallensysteem is gebaseerd op de getallen 5 en 10 en het kent geen symbool voor het getal 0. Romeinse cijfers worden samengesteld uit de volgende letters als basissymbolen:

Letter I V X L C D of IƆ M of CIƆ
Getal 1 5 10 50 100 500 1000

Anders dan het Arabische getallensysteem (een positioneel stelsel) is het Romeinse getallensysteem een additief stelsel waarin de waarde van het voorgestelde getal in eerste aanleg wordt bepaald door het totaal van de samenstellende symbolen. Een 2 wordt gevormd door twee keer een I te schrijven, dus II en een 3 door drie keer een I, dus III. In principe kan men ook een 4 voorstellen door vier keer een I te schrijven, dus IIII. In de Oudheid was dit ook gebruikelijk. Maar omdat III en IIII in één oogopslag moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, is men in de loop der tijd steeds meer van het aftreksysteem gebruik gaan maken. Staat een cijfer met een lagere waarde vóór dat met een grotere waarde, dan wordt de lagere waarde van de hogere waarde afgetrokken. Met behulp van het aftreksysteem wordt 4 dus als IV geschreven.

Om te voorkomen dat sommige cijfers op heel veel verschillende manieren geschreven kunnen worden, zijn er in de loop der tijd een aantal formele restricties ontstaan:

De oude Romeinen kenden deze restricties nog niet en ook in zestiende en zeventiende eeuwse teksten hield men zich hier niet altijd strikt aan. Wees dus niet verbaasd als je VL voor 45 tegenkomt of IIII voor vier. Maar wees er in het laatste geval wel op bedacht dat het hier ook om een breuk zou kunnen gaan (zie hieronder).

In zestiende- en zeventiende-eeuwse handschriften werden Romeinse cijfers I, V en X vaak in onderkast geschreven. Dat had ook te maken met het feit dat er veelvuldig van superscriptie gebruik gemaakt werd om vermenigvuldiging aan te geven. Het was bijvoorbeeld ongebruikelijk om bij jaartallen 1500 als MD te schrijven. In plaats daarvan schreef men xvc, dus vijftien maal honderd. Een jaartal als 1574 kan men dus tegenkomen als mdlxxiv, mdlxxiiii, xvclxxiv en xvclxxiiiii. Maar het meest gebruikelijk was dat men die 74 voluit schreef, dus: "xvc vierendetseventich".

Vermenigvuldiging door superscriptie werd ook bij andere grote getallen toegepast, bijvoorbeeld vm voor 5 000, maar ook vc voor 500 (in plaats van D). Voor breuken had men weer een andere oplossing. Een ½ wordt in zestiende- en zeventiende eeuwse manuscripten binnen het Romeinse getallensysteem op twee manieren weergegeven. Of men plaatste een s. (Latijn: semi) achter het getal of men gebruikte een I met een doorgehaalde schacht, bijvoorbeeld:

Twee verschillende schrijfwijzen van "2½" met behulp van een doorgehaalde schacht.
Een ½ aangegeven met een "s":
2½ morgen
1½ morgen

Andere breuken konden in principe met een deelstreep geschreven worden, bijvoorbeeld:

1/4

Gebruikelijker was het om kwarten, derden, etc. met een tekstueel equivalent aan te duiden, bijvoorbeeld: "xi ende een oort" (11,25)

Arabische cijfers

Het Arabische (eigenlijk: Arabisch-Indische) getallensysteem is het getallensystem dat we tegenwoordig het meest gebruiken. De Arabische cijfers die we in zestiende- en zeventiende-eeuwse manuscripten tegenkomen, lijken sterk op de onze. Over het algemeen zal het lezen van Arabische cijfers in handschriften uit die periode ook geen problemen opleveren. Alleen tussen de 4 en de 9 wil nog wel eens verwarring ontstaan.

Bijlage

Overzichten uit Grun 1935, afb. X en XI.




Literatuur